menu
Search

Gedreven MKB advocaten

 

Nieuwsarchief

Belangrijke NOW uitspraak voor bedrijven waarvan de omzet gedurende het jaar sterk verschilt.

COVID-19

Het lijkt bijna een eeuwigheid geleden, maar in 2019 hield COVID-19, in de volksmond het ‘corona-virus’, ons in de greep. En wel zodanig dat het openbare leven tot stilstand kwam. Bioscopen, kroegen, restaurants, evenementen, sportactiviteiten, culturele voorzieningen gingen allemaal op slot en in ‘lockdown’.

NOW-1

Dit had grote gevolgen voor bedrijven die afhankelijk waren van hun inkomsten uit die sectoren. Zo ook van een cliënt van mij, een groot ICT-bedrijf in Brabant dat zich richt op de evenementenbranche. Dit gold des te meer nu het personeel was ondergebracht in een aparte vennootschap waar loon en overige verplichtingen moesten worden doorbetaald, maar waar het werk en dus de omzet opdroogde. De overheid heeft dit voorzien en heeft noodmaatregelen ingericht, zoals een eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1). Zonder al te veel vereisten werden aanvragen gehonoreerd, omdat het redden van bedrijven belangrijker was dan een strenge toetsing vooraf.

Het behoeft dan ook geen verbazing dat de toetsing achteraf op vastgestelde criteria wel nauwkeurig was. Op zich is daar niets mis mee, maar mijn cliënte kreeg door een verkeerde uitleg van de regelgeving veel minder terug dan waarop zij recht had.

Omzet

De hoofdregel is dat de netto-omzet in de periode waarover NOW-1 is gevraagd, vergeleken moet worden met de netto-omzet in de referentieperiode een jaar voorafgaand. Op die manier kan het omzetadvies worden berekend en op basis daarvan wordt dan bepaald hoeveel van de verstrekte NOW-gelden eventueel dienden te worden terugbetaald.

Piek

Mijn cliënte heeft een piekomzet in januari dat ieder jaar valt. De referteperiode was gekozen tussen februari en april, zodat er flink omzetverlies kon worden genoteerd, waardoor de verwachting was dat het en de NOW-gelden die waren ontvangen niet hoefden te worden afgedragen. Het UWV was het daar niet mee eens en vond, in dit verband, in een beroepsprocedure de rechtbank Zeeland-West-Brabant aan haar zijde. Daarop is cliënte op mijn advies in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep, ondanks de omstandigheid dat vrijwel alle hoger beroepszaken door het UWV worden gewonnen.

Hoger beroep

Echter: de Centrale Raad van Beroep volgde cliënte in hoger beroep waarin zij stelde dat door de wijze waarop zij haar bedrijfsvoering heeft ingericht, het grootste deel van haar omzet in januari verleden jaar valt. Daardoor hoefde deze omzet naar rato niet te worden toegerekend aan de omzetperiode, zoals het UWV bepleitte.

Conclusie

Deze uitspraak is niet alleen voor cliënte van belang, maar ook voor andere bedrijven die omzet genereren die gedurende het jaar fluctueren.

De minister had de omzetbetaling moeten vastleggen op basis van de in artikel 6 lid 1 van de NOW-1 vermelde berekening, daarbij uitgaande van de feitelijke omzet in de omzet periode van maart 2020 tot en met april 2020. De piekomzet in januari blijft daarmee buiten schot, waardoor mijn cliënte en ook andere bedrijven die piekomzetten in het begin van het jaar hebben, een grotere kans hebben om (een groter deel van) het ontvangen NOW-geld niet terug te hoeven betalen.

Naar verwachting zullen veel bedrijven voordeel bij deze uitspraak hebben.

Wilt u advies of meer weten over dit onderwerp? Bel dan met NOW-specialist / advocaat Paul Gerritse (013-54445454) of stuur een e-mail naar gerritse@westpointadvocaten.nl.